Tijdens het snuffelen door mijn oude studie documenten stuitte ik op een essay uit 2013 die ik heb geschreven over privacyschendingen door de overheid. Eerlijkheidshalve had ik niet verwacht dat de voorspelling die ik toen aan het einde van mijn essay deed over dat het niet ondenkbaar zou zijn dat we in de toekomst in een sciencefiction achtige film zouden belanden, al binnen een decennium zich zou gaan afspelen.

Het onderwerp is nu actueler dan ooit en ik vond het reden om dit te delen. Dit essay geeft naar mijn mening ook aan hoezeer de overheid al een langere tijd pro controle is ten behoeve van de veiligheid (en nu gezondheid). Controle uitoefenen ten behoeve van onze veiligheid of gezondheid, dat klinkt toch als een gerechtvaardigd middel? Maar aan de andere kant: mag de bescherming van onze veiligheid (wat overigens geen Grondrecht is) wel prevaleren boven de Grondwet? Heiligt het doel alle middelen? Mogen de Grondrechten zomaar ondermijnd worden, zoals dat nu ook lijkt te gebeuren ten tijde van crisis? Is de Grondwet juist niet bedoeld als codificering van het onvervreemdbare en niet aan cultuur of tijd gebonden rechten van de mens? De natuur- of elementaire rechten van de mens. Zoals het recht op leven en het recht op privacy?

We leven in een tijd waarin alles zo complex is geworden en waarin er zoveel belangen spelen, dat we volkomen afdwalen van de essentie van het leven. Deze complexiteit is voedingsbodem geworden voor het creëren van meer dualiteit en polarisatie. En in tijden van crisis wordt dat alleen maar versterkt. Alles wordt uitvergroot en angst zorgt alleen maar voor meer verdeeldheid.

Één voordeel van een crisis zoals deze is dat het aanzet tot reflectie en de mogelijkheid om te veranderen. Waar staan we nu en hoe willen we verder? Om te beginnen, en om publiek debat te voeren, moeten we onze Grondrechten leren respecteren. Onze primaire rechten en vrijheden. Want zonder deze rechten en vrijheden is debat niet mogelijk. Dit essay uit 2013 geeft een kritische kijk op de uitoefening van de bevoegdheden van de overheid. NB: Hoewel ik hier het belang van de veiligheid als tegenovergesteld belang uiteenzet, kan daarvoor in de plaats ook het belang van de gezondheid worden gelezen, zoals dat nu aan de orde is.


Essay uit 2013 van Sander Bodde:

Privacyschending door de overheid

‘Schande spreken van privacyschending is hypocriet’ – Aldus Jack de Vries.

Het leven in een veilige samenleving valt of staat met de bereidheid van haar burgers om hun privacy in te leveren, vindt oud-staatssecretaris van defensie Jack de Vries.

,,Het gaat om onze veiligheid. Als het nodig is dat veiligheidsdiensten ons daarbij in de gaten houden, dan zij dat zo.”

Mogen veiligheidsdiensten alles van ons weten? En zo ja, mogen ze dat voor ons verzwijgen? Sinds het nieuws over de massale online spionage door Amerikaanse veiligheidsdiensten is het debat over die vragen opnieuw ontbrand. Voorstander Jack de Vries aan het woord.

,,De veiligheidsdiensten zouden hun plicht verzaken als ze niet in kaart zouden brengen wat mensen online allemaal uitspoken. Het is het recht van de overheid om die middelen te benutten die ze kunnen inzetten ten gunste van onze veiligheid. Dus als het nodig is dat daarom ons e-mailverkeer in de gaten wordt gehouden, dan vind ik dat prima. Het leven in een veilige samenleving valt of staat met de bereidheid van haar burgers om hun privacy in te leveren.”

,,Veel mensen roepen nu dat ze het een schande vinden dat onze privacy wordt geschonden. Dat is hypocriet. Ga maar na: veel van wat we online doen – op Google, op Facebook, in mailprogramma’s – wordt ook in de gaten gehouden door bedrijven. Maar dan met het oogmerk mij advertenties voor te schotelen die passen bij mijn online gedrag en die me moeten verleiden om bepaalde aankopen te doen. En bij Albert Heijn geven we onze bonuskaart zonder problemen aan de caissière. Dat vinden we allemaal prima. Terwijl die bedrijven ook aan onze privacy zitten en daarbij niets anders dan commerciële motieven hebben. De overheid gaat het tenminste nog om onze veiligheid.”

,,Ik ben het ook oneens met diegenen die zeggen dat we op z’n minst moeten wéten dat de veiligheidsdiensten naar ons e-mailverkeer kijken. Ook onzin. Hoezo is het goed dat we daarvan op de hoogte zijn? Het gaat om onze veiligheid. Als het voor het bewaken van die veiligheid nodig is dat veiligheidsdiensten in het geheim opereren en ons daarbij in de gaten houden, dan zij dat zo.”[1]

Je hoeft de tv maar aan te zetten en er is wel weer een item gewijd aan de privacy. Het is iets wat de gemoederen al sinds jaar en dag bezig houdt en kennelijk ook nog wel even blijft doen. Onlangs was er grote commotie ontstaan over de aftappraktijken van de NSA (de Amerikaanse geheime dienst). Die hadden in 2012 maar liefst 1,8 miljoen Nederlandse telefoongesprekken afgetapt. Volgens minister Plasterk is de balans tussen privacybescherming en terreurbestrijding zoek. Hij vindt dat als een land al gegronde redenen heeft om in of vanuit Nederland inlichtingen te verzamelen, dit land contact moet opnemen met de AIVD.[2] Ruim een week later kwam het nieuwsbericht naar buiten dat onze (m. nt: toenmalige) minister van Veiligheid en Justitie Ivo Opstelten een brief aan de Tweede Kamer had overlegd waarin hij zei reisgegevens op te willen slaan van miljoenen Nederlanders, met als doel daarmee een kleine honderd Jihadisten te kunnen achterhalen. Google op privacy inbreuken (van de overheid) en je kan je week zo vullen met het lezen van schandalen.

Uit deze voorbeelden (en bijna alle kwesties die je tegenkomt) zijn twee belangrijke belangen te scheiden. Aan de ene kant gaat het hier om maatregelen ter voorkoming van terreur, of anders gezegd: het waarborgen van onze veiligheid. Aan de andere kant gaat het om gegevens verzamelen van individuen waarbij mogelijk het recht op privacy in het geding is.

Sinds verschillende terreuraanslagen, met 9/11 als hoogtepunt, is het eerste punt sterk onder druk komen te staan, zeker in Amerika. Sinds de aanslagen is de veiligheid in Amerika dan ook sterk verscherpt. In Nederland is de veiligheid opnieuw actueel geworden na een tweetal rampen, te weten de vuurwerkramp in Enschede en de cafébrand in Volendam. Door deze rampen werd de rol van de overheid ter discussie gesteld. Hadden zij namelijk wel voldoende gedaan om de veiligheid te waarborgen?

Het andere belang, wat hier als gevolg van de verscherping van de veiligheid in het geding kwam was, – je raadt het al – de privacy. Dit had ook alles te maken met de technologische ontwikkelingen. Deze worden namelijk steeds geavanceerder en bieden niet alleen voordelen voor de consument, maar ook voor de overheid om te gebruiken als controle instrument. Hoe dan ook: de technologische ontwikkelingen zijn leidend geworden in ons dagelijks functioneren. En het begint steeds meer de overhand te krijgen.

En hoewel bedrijven in eerste instantie waren gericht tot slechts consumenten, weten nu ook overheden dankbaar gebruik te maken van al deze technische hoogstandjes, teneinde: de burger te beschermen tegen gevaar (lees ook: bestrijding Coronacrisis). Neem bijvoorbeeld de camera’s die overal op de hoek van de straat staan, ANPR of dataretentie. Dit laatste refereert naar het opslaan van telefonie- en internetgegevens door overheden met als doel justitie te helpen bij de opsporing. ANPR (Automatic Number Plate Recognition) is een systeem die je kenteken koppelt aan de plaats van herkenning met tijdstip van passeren. Eveneens cruciaal volgens Ivo Opstelten voor versteviging van de opsporing bij criminaliteit.

Maar allemaal heel erg leuk die technische snufjes die worden ingezet als hulpmiddel tegen de bestrijding van gevaar en criminaliteit. Hoe zit het eigenlijk met het, in de Grondwet opgenomen, recht op privacy? Als het aan Jack de Vries ligt, moeten we dus die inperking maar accepteren. Het ene belang boven het andere stellen. Maar in hoeverre wordt deze verregaande opvatting gedeeld door onze democratisch verkozen leiders? En is dit een goede tendens?

Het lijkt erop dat men al jarenlang consensus probeert te vinden tussen enerzijds de taak van de overheid om de algemene veiligheid te waarborgen en anderzijds het recht op privacy. Een belangrijk verschil tussen deze twee belangen is dat veiligheid geen grondrecht is in tegenstelling tot het recht op privacy, welke is neergelegd in artikel 10 van de Grondwet (alsmede in artikel 18 EVRM en 17 IVBPR).

Het CDA was met betrekking tot de veiligheid een aantal jaren geleden van mening dat het recht op veiligheid een sociaal grondrecht moest worden. Dit vanwege het feit dat de veiligheid steeds verder onder druk is komen te staan. De Groningse hoogleraar staatsrecht D.J. Elzinga van de Rijksuniversiteit Groningen vond het maar een onzinnig idee, temeer omdat de veiligheid al eeuwenlang tot de primaire taken van de staat hoort. Die moet namelijk de bevolking beschermen tegen het water, tegen buitenlandse machten en kwaadwillige medeburgers. [3]

Het is al met al geen eenvoudige kwestie waarin een goed of fout lijkt te bestaan. Het gaat denk ik ook meer meer om de vraag welk belang de burger waardevoller acht. Iedereen wil natuurlijk veilig zijn en worden beschermd tegen gevaar en vijandelijkheden. Aan de andere kant wil men ook een individu blijven die soeverein is in wat men kiest en deelt. Hoewel het ene het andere niet per definitie hoeft uit te sluiten, is het mijns inziens beter om te spreken over een zogenoemde glijdende schaal. Een schaal waarbij je kan schuiven tussen deze polen. Wil je van het ene meer dan lever je van het andere iets in. De keuze zal afhangen van maatschappelijke consensus. 

Wat mij hierbij echter nog opvalt is het gegeven dat privacyschendingen alleen iets is van de laatste decennia. Het lijkt een typisch verschijnsel te zijn van de 21e eeuw. Om het in perspectief te plaatsen bestond het recht op privacy (althans het woord privacy) in de vroege 19e eeuw nog helemaal niet. Dit was namelijk een vanzelfsprekendheid of een gewoonte (of een natuurrecht zo je wilt) dat je elkaar met rust liet. De industrialisatie en de urbanisatie zorgden er toen pas voor dat een nieuwe, anonieme levenswijze werd gevormd. Eentje waar persoonlijke “vrijheid” een steeds belangrijkere rol ging spelen.

Het digitale tijdperk waar we nu in leven heeft die anonieme levensstijl nog weer verder gevormd. Daar waar we nog tot voor kort het touwtje van Terlouw hadden en regelmatig als buren bij elkaar over de vloer kwamen, dat hebben we nu alweer verruild tot bijna fysieke (hermetische) opsluiting (de touwtjes zijn uit het straatbeeld verdwenen). Een interessant verschijnsel wat in mijn optiek misschien wel gelegen is in het feit dat men thuis niet meer zo bang hoeft te zijn voor externe gevaren. Want door de enorme informatievoorziening van het internet weten we dat de wereld niet altijd een veilige plek is.

Je kunt je daarom namelijk afvragen wat de achterliggende oorzaak is van die neiging van de mens om zich steeds meer terug te trekken. Terwijl we tot voor kort veel meer in verbondenheid leefden. Is dit een natuurlijke evolutie of zit hier meer achter? Opgemerkt kan ook worden dat het een menselijke eigenschap is om gevaren zoveel mogelijk uit de weg te gaan. In een wereld waar zoveel gebeurt lijkt de mens steeds verder van zichzelf te zijn verwijderd. We raken – al dan niet onbewust – in een soort vecht of vlucht, of zoals in de psychologie: fight, flight or freeze, modus. En dan is de terugtrek neiging wel te verklaren. Want waar anders zijn we veiliger dan opgesloten in huis? Neem daarbij de ontwikkeling van het almachtige World Wide Web en je kunt een nieuwe alternatieve levensvorm creëren, waarbij de fysieke dreiging van buitenaf netjes op afstand wordt gehouden.

Maar dan kun je je ook weer afvragen wat precies die dreiging dan vormt. Wat voedt onze massale angst? Kort na de eerste en tweede wereldoorlog hadden we immers ook gewoon nog het touwtje van Terlouw. Sloten we ons ook niet zo erg op. Waarom is dat nu dan wel? Of zit er toch nog iets anders achter? Vragen die ik voor nu buiten beschouwing laat en misschien een aanzet geven tot een ander onderzoek.

Om dan weer terug te komen op de privacy. Wat is dat nu eigenlijk conform de wet? Artikel 10 lid 1 van de Grondwet zegt: “ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer”. Het woord “privacy” welke in de volksmond veelal gehanteerd wordt stamt af uit de al eerdergenoemde verdragsbepalingen, hetgeen verondersteld wordt hetzelfde te betekenen als het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. De verdragen spreken over ‘the right to respect for his private life’. Een andere omschrijving van het recht is ‘het recht om met rust te worden gelaten’. Ook wel de relationele privacy genoemd. Door de al eerder genoemde technische ontwikkelingen en de grote hoeveelheden persoonsgegevens die in computers kunnen worden opgeslagen, is er een nieuw begrip ontstaan welke wordt aangeduid met informationele privacy.[4]

De bovengenoemde definities blijven echter nog wel redelijk vaag. Het wordt immers niet duidelijk welke aspecten nou precies door dit recht worden beschermd. De regering heeft derhalve een aantal aspecten genoemd die moeten worden gerekend tot de persoonlijke levenssfeer. Daaronder vallen, behoudens nog een aantal andere aspecten, bepaalde vormen van communicatie, zoals het telefoongesprek en de briefwisseling, de registratie van persoonsgegevens en de fysieke integriteit. Deze aspecten houden verband met de artikelen 11, 12 en 13 van de Grondwet. Dit impliceert dus dat artikel 10 van de Grondwet een algemene regel omvat (ook wel: lex generalis) en de artikelen 11, 12 en 13 de specifieke uitwerkingen zijn (ook wel: lex specialis).[5]

Ruim zestig jaar geleden voorspelde ene Aldous Huxley, een Engels-Amerikaanse schrijver, dat men niet verrast moet worden door de eigen vooruitgang in technologie. Dat de historie ons leert dat technologie de maatschappij zal veranderen en dat er opeens een onvoorzienbare situatie ontstaat waarbij we dingen doen die men eigenlijk niet wil doen.[6] Wie had destijds namelijk gedacht dat data nu op wat voor mogelijke manier door bedrijven en overheden opgeslagen kan worden. Wanneer men de bakker op de hoek vraagt wat men vindt van het feit dat de overheid steeds meer en meer gegevens van ons verzameld is de reactie vaak nog dat men het niet zo erg vindt. Immers: wie niets te verbergen heeft, heeft niks te vrezen. Maar het heeft ook een keerzijde. Terwijl burgers transparanter worden, wordt de overheid zelf juist ondoorzichtiger. Want wat doen ze eigenlijk met al die gegevens en gaan zij daar wel volgens de regels mee om?[7]

Jeremy Bentham schreef ooit eens een boek genaamd: Panopticum. Dit is een begrip geworden die het mogelijk maakt om groepen te controleren, te disciplineren, te bewaken, te besturen enzovoort. Het panopticum wordt tegenwoordig veel geassocieerd met een koepelgevangenis. Dit is een cirkelvormig complex waar bewakers vanuit het midden de gevangenen in de gaten kunnen houden. De analogie naar het huidige systeem, met dergelijke controle toepassingen, is snel gemaakt.

Als we zo doorgaan stevenen we af op een systeem waarbij de overheid alles van ons weet en waarbij zij nog meer kan anticiperen op onze gedragingen. Zogenoemde crowdcontrol wordt in China al grootschalig toegepast. En dit kan weer leiden tot sancties bij bepaald ongewenst gedrag. Zoals bekeuringen of verregaande beperkingen van de vrijheid. Zal ook Nederland het volgende land worden waar dit op dergelijk niveau toegepast gaat worden? Alexander Klöpping, o.a. bekend van De Wereld Draait Door en ICT journalist, zei in een documentaire over privacy dat de rechtsstaat langzaam verandert in een controlestaat en dat de burger min of meer gevangen zit in zijn eigen land.[8]

Het vorenstaande lijkt wellicht een paranoïde beeld, maar de realiteit is wel degelijk dat we hier langzaam naar toe bewegen. Dit zet het vraagstuk over privacy ook steeds meer onder druk. In artikel 17 van het VN-verdrag voor Burgerlijke en Politieke rechten uit 1966 staat dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. In artikel 10 lid 1 van de Grondwet staat min of meer hetzelfde, zij het niet dat de wet beperkingen kan opleggen.

Een voorbeeld van zo’n beperking is de al eerdergenoemde ANPR. De politie had, met het doel wetsovertreders te vinden (bijvoorbeeld belastingachterstanden), de bevoegdheid om de kentekenscans met het opsporingsregister te vergelijken. Echter bij ‘no-hits’ moesten deze scans subiet worden vernietigd. Niettemin waren er twee politiekorpsen die deze gegevens niet direct vernietigde, maar voor een duur van drie maanden bewaarden. Na een flinke berisping van het CBP, die toeziet op zorgvuldig gebruik van persoonsgegevens, werd het illegale gedrag van de korpsen door minister Opstelten tot wet verheven.[9] Alle ‘no-hits’ mochten nu vier weken bewaard worden.[10] En zo kan het dus snel gaan met inperkingen van onze Grondrechten.

Mede op basis van voorgenoemde voorbeelden kan men zich afvragen wat dan precies de functie van de codificatie van het recht op privacy nou betekent. Immers, als de overheid zelf regels kan vaststellen die de privacyschendingen legitimeren, in hoeverre is het recht op privacy dan Grondrecht waardig? Volgens het CBP (college bescherming persoonsgegevens) is het essentieel dat burgers erop kunnen vertrouwen dat met de gegevens die zij veelal verplicht moeten afstaan, zorgvuldig wordt omgegaan. Voorzitter Jacob Kohnstamm zei in een artikel van de NRC het volgende:

de bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat juist door de overheid als grootverwerker van persoonsgegevens als geen ander dient te worden nageleefd. Een te ‘flexibele’ omgang met dat grondrecht heeft op de langere termijn ondermijnende effecten op het vertrouwen van burgers in de overheid”. [11]

De functie van het grondrecht lijkt steeds meer te verzwakken. De veiligheid (en dus controle) lijkt te prevaleren boven de privacy. Moeten we daarom dan maar al onze gegevens prijsgeven? Is hier dan niet veel tegen te doen? Het is in ieder geval een ontwikkeling die daartoe neigt. De stand van de techniek is inmiddels zover dat we al lang niet meer weten welke gegevens op straat liggen (bij publieke en private instanties) of bewaard worden. En steeds meer krijgt de overheid bevoegdheden om onze gegevens op te slaan en te gebruiken, al dan niet noodzakelijk of uit preventie. Zorgwekkend? In het kader van het recht op privacy denk ik zeker! En zeker ook in een stelsel waarin de overheid haar eigen belangen heeft en nota bene de Grondwet buitenspel kan zetten wanneer het haar goeddunkt.

En dan komen we op een nog onbelicht aspect, maar zeker relevant, is het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet. Dit is het verbod om formele wetten (door regering en parlement) te toetsen aan de Grondwet. Dit betekent dat de wetgever wetten kan maken die de toets aan de Grondwettelijke bepalingen niet hoeft te doorstaan. Wetten die bijvoorbeeld een inbreuk maken op de privacy kunnen daarentegen toch van kracht zijn. De reden is dat een wet geacht wordt het “unanieme gevoel van de Koning en de twee kamers van de Staten-Generaal” uit te drukken. Met andere woorden: dat zij als enige macht hebben om onschendbare wetten te maken. De rechter mag dus formele wetgeving niet toetsen aan de Grondwet. Komt een wet die een beperking inhoudt van een Grondwet, dan valt daar weinig aan te doen bij de Nederlandse rechter. De toets aan de Europese verdragen staat echter nog wel open, wat ten opzichte van de Grondwet al van zichzelf vrij eigenaardig is. In dat kader kan men ook de vraag stellen in hoeverre Nederland nog soeverein is en haar eigen grondrechten nog wel hoog in het vaandel heeft staan.

Nota bene: de grondwet is er toch om de burger te beschermen? Waarom dan een verbod? Een van de pleidooien is dat de Trias Politica dan in het geding komt, oftewel de machtenscheiding. De rechter behoort immers volgens dit systeem, waarbij de wetgever, bestuur en rechter als onafhankelijke organen van elkaar opereren, niet op de stoel van de wetgever te gaan zitten. Dit zou de rechter weer te veel macht geven. Aan de andere kant wordt gepleit dat de regering door het toetsingsverbod van de rechter te veel macht krijgt en onder andere de schending op de grondrechten kan legitimeren door formele wetgeving (mits dit dan niet in strijd is met EU-recht. Maar dit zijn meestal zulke abstracte normen, dat die normen bevoegdheid geven aan lidstaten om beperkingen op te leggen). Femke Halsema heeft in 2002 een initiatiefwetsvoorstel ingediend om de Grondwet te wijzigen, inhoudende dat de rechter een beperkte bevoegdheid krijgt om wetten aan de Grondwet te toetsen. Maar dit laat zich niet bepaald makkelijk wijzigen. En degene die macht heeft, zal dat naar alle waarschijnlijkheid niet snel opgeven.

Mijns inziens is het niet de vraag of het ene orgaan meer macht toebedeeld moet krijgen dan het andere, maar speelt bij mij meer de vraag op in hoeverre het huidige systeem nog een zeker bestaansrecht heeft en of er niet meer nagedacht moet worden over een ander (beter) systeem. Een systeem dat meer opkomt voor de primaire rechten van het individu en die de complexiteit van het huidige systeem minimaliseert. Het behoeft namelijk weinig betoog dat het huidige politieke klimaat van de afgelopen decennia nou niet bepaald succesvol gebleken is. En voeg daar de versnippering aan politieke partijen aan toe en je hebt een  systeem die op slot zit en waar het land er niet beter op wordt.

Om af te sluiten is het vraagstuk over de veiligheid en het recht op de privacy kortom niet eenvoudig te beslechten. Het moge echter duidelijk zijn dat Grondrechten bestaan om de rechten van het individu/de burger te beschermen. Maar door toenemende andere belangen, zoals het belang van de veiligheid (of gezondheid) tegenover de Grondrechten te zetten komt laatstgenoemde zwaar onder druk te staan. En kan zelfs omwille van andere belangen worden ingeperkt.

Een goede balans vinden tussen beide polen lijkt bijna een onmogelijke opgave. Zoals ik eerder al zei is de keuze voor het één, een inperking van het ander. Het zijn uitersten die, zoals Jack de Vries ook al aangaf, moeilijk met elkaar te rijmen zijn. Aan de andere kant denk ik dat de overheid als taak heeft om die balans juist te waarborgen en niet moet doorslaan een middel te gebruiken die haar doelen heiligt. Controle tot op zekere hoogte, ter preventie van de burger tegen terreur en ander gevaar is denk ik goed, maar ook het individu zelf heeft nog een bepaalde mate van verantwoordelijkheid en soevereiniteit daarin. Die moet zij niet te gemakkelijk opgeven door angst iets te overkomen of zelf iets niet te kunnen. Als het bovendien al angst is. De mens moet zich daarin ook bewust worden dat er altijd een risico bestaat in het leven. Gevaar, dood en ziekte horen nou eenmaal bij het leven. Als je in een auto stapt, loop je ook al risico (a calculated risk). Al het gevaar uitbannen of ultieme bescherming verlangen creëert een illusie die niet bij het leven hoort.

Het recht op privacy is daarom wat mij betreft een uitermate belangrijk Grondrecht. Dit betekent dat het van grote waarde is voor mensen. Het recht op veiligheid is daarnaast al een primaire taak van de overheid en behoeft niet te worden gecodificeerd, laat staan van groter belang te zijn dan de bestaande Grondrechten. Dit betekent dat de overheid binnen haar bevoegdheden de burgers mag beveiligen en beschermen, tot op zekere hoogte en tot wat nog toelaatbaar is.

Ik ben het in zekere zin met Jack de Vries eens dat als het gaat om de veiligheid van de burger dat die laatste een deel van zijn privacy inlevert. Zij het minimaal en maatschappelijk en individueel toelaatbaar. Maar ik ben het niet eens met het idee dat alles ten koste van die veiligheid moet wijken. In dat geval stevenen we af op een controlestaat waar de overheid voortdurend op de loer ligt. Scenario’s waarin sciencefiction films tot leven komen zal in de toekomst dan niet onwaarschijnlijk zijn. Het privacyvraagstuk zal tot die tijd een interessant onderwerp blijven waar nog veel over gehoord en gesproken gaat worden.

Bronnen:

[1] De Fijter, Nico (13-06-2013). ‘Schande spreken van privacyschending is hypocriet’. Geraadpleegd op 12-11-2013, <www.nrc.nl>.

[2] ANP (31-10-2013), ‘NSA erkent aftappen Nederlanders’. Geraadpleegd op 12-11-2013,

[3] J. Groen (13-09-2001), ‘Veiligheid moet geen grondrecht zijn’, Geraadpleegd op 12-11-2013,

[4] P.W.C. Akkermans e.a., Grondrechten (Grondrechten en grondrechtsbescherming in Nederland), vierde druk, Kluwer

[5] idem

[6] Peter Vlemmix. 2012. ‘Panopticon – de docu over jouw privacy’. Nederland.

[7] K. Spaink (11-03-2011). ‘De overheid schendt privacy’. Geraadpleegd op 13-11-2013,

[8] Peter Vlemmix. 2012. ‘Panopticon – de docu over jouw privacy’. Nederland.

[9] Rijksoverheid (10-01-2013). ‘Grote pakkans criminelen door kentekenherkenning.’ Geraadpleegd op 13-11-2013, .

[10] K. Spaink (8-03-2011). ‘Wetschennis’. Geraadpleegd op 13-11-2013, .

[11] A. Coevert (18-4-2013). ‘CBP bezorgd over privacyschending door overheid’. Geraadpleegd op 14-11-2013, .

Maandelijks Inspiratie Ontvangen?

SCHRIJF JE IN VOOR ONZE NIEUWSBRIEF

Je ontvangt hooguit twee berichten per maand!